Home Tarieven Route Contact

De Plantage                  Over ons                  Geschiedenis                  Trips                  Menu                  Contact


EEN STUKJE GESCHIEDENIS VAN MONTPELLIËR


U bevindt zich thans op een stukje van de voormalige plantage Montpelliër.


Deze plantage liep vanaf de Orleane- (vroeger de Hoer Helana) kreek, tot aan het beboste gedeelte achter de twee grotere huisjes. Het is ongeveer een kilometer diep. Slechts een kleine plantage voor die dagen. Dit was echter niet voor niets. Het gouvernement had vanaf 1744 ‘kleine’ stukjes grond uitgegeven, te klein voor een normale produktieplantage. Dat was ook niet de bedoeling; de gedachte was om er kost te laten verbouwen, want een tekort aan kost was een veelvuldig terugkerend probleem in de kolonie. Tevens kon zo ook ‘de kleine man’ een kans te krijgen voor ‘planterij’ . Immers voor de aanleg van een kostgrond was niet veel kapitaal nodig. De opzet mislukte echter; binnen enkele jaren waren de meeste kavels samengevoegd tot middelgrote produktieplantages.

Jan Albus


Jan Albus was in 1751 in Suriname geariveerd met het schip ‘Vreedenrijk’ onder schipper Jan Laudrids.  In 1764 verkreeg hij een stuk grond van 200 akkers ‘geleegen aan in de Orelijns kreek regterhand in ’t opvaeren aen de bovenlijn van het land toebehoornde Johannes Diederiksen’. Dit is de helft van de latere plantage ‘Montpelliër’ en bestond uit twee loten van 100 akker. Later werd er nog eens 200 akker aan de grond toegevoegd (waarschijnlijk aan de zuidzijde), zodat een produktieplantage was ontstaan van 400 akkers, met en ‘facit’ van 40 ketting. Naast Albus wordt dan als mede-eigenaar Elie Arabet genoemd.  Maar ‘Montpelliër’, grotendeels gelegen op zandritsen die oost-west door geheel Suriname lopen, is waarschijnlijk nooit een succesvolle plantage geweest. Jan Albus was in 1766 administrateur van gouverneur Crommelin en boekhouder van de kerkelijke gerechtigheden. Er is iets met hem gebeurd. In een inventaris van 1767 van de plantages ‘Montpelliër’ en ‘Montauban’ (tegenover ‘Montpelliër’, aan de andere kant van de Orleanekreek, thans verkavelingsprojekt) wordt vermeld dat hij ‘innocent’ is, ofwel geestesziek. Hij overleed in 1768.


ElieArabet


Elie Arabet arriveerde in 1751 in Suriname met het schip ‘Agetha’ onder schipper Jurriaan Schouten. We zien hem als direkteur van de plantage ‘La Campagne’ aan de Orleanekreek. Zes jaar later, 1n 1764, legde hij aan dezelfde kreek ‘Montauban’ aan. Hij ging samenwerken met zijn buurman Jan Albus aan de overzijde van de kreek, eigenaar van de plantage ‘Montpelliër’.  Vanaf 1767 worden de plantages genoemd als één bedrijf. Toch hadden de twee plantages, met in totaal 43 slaven, geen grote waarde. In 1767 werden ze slechts op F 48.292,= getaxeerd.  Na de dood van Jan Albus werd Arabet eigenaar van beide plantages.


In het jaar 1771 werd Arabet vermoord op zijn plantage door de groep van Boni. Het gouvernementsjournaal bericht hierover als volgt:


‘…Vrijdag den 5 julij 1771.   ’s Avonds heeft den Heer Gouverneur rapport bekoomen, dat een troep Wegloopers (apparent die zig tusschen Suriname en Commewijne ophouden) de bovenste Plantagen de Orleijns Creecq hebben geattaqueerd en den eiijgenaar Arabet vermoord. Dat egter de slaaven van gem: Arabet zig hebben geopposeerd, een der Wegloopers hebben doodgeschoten, waarop zij de vlugt hebben genoomen, meede voerende drie neegers en twee negerinnen; de daar sijnde Officier heeft er enige neegers daar men nog eenig vertrouwen op moet stellen agter aan gezonden, wijl ’t water so hoog tusschen de ritsen staat, dat er geen blanken door kunnen…’


Uit het verslag blijkt dat de slaven waarschijnlijk niet hadden geparticipeerd in de voorbereiding van de aanslag. Dat was ongebruikelijk, maar gezien de geringe slavenmacht, zal Boni wel hebben gemeend dat dat niet nodig was. Het gevolg was dat de slaven zich verweerden, maar desondanks bereikte Boni zijn doel. Arabet werd gedood. Waarom eigenlijk? Was hij een wrede meester?  Dat is niet duidelijk; zijn slaven hebben getracht hem te beschermen. … Arabet komt niet voor in de registers van de gereformeerde kerk. Dat is om twee redenen niet zo verwonderlijk: de registers vertonen hiaten, maar veel waarschijnlijker; Arabet is nooit getrouwd geweest en zijn kinderen zijn nooit gedoopt. Plantagedirekteuren leefden over het algemeen in concubinaat met een van de plantageslavinnen. Dat werd zelfs aangemoedigd; op die manier zou de direkteur immers veel beter geïnformeerd zijn over wat er onder de slavenbevolking omging. In de trouw- en doopregisters zouden we dus Arabet tevergeefs zoeken. Maar ook in de overlijdensregisters komt zijn naam niet voor en dat is wel een beetje vreemd. Mogelijk was hij katholiek.


Johannes Diederichsen en boedel weduwe Diederichsen-Hass


Ten tijde van de overval waren ‘Montpelliër’ en’ Montauban’ verhypothekeerd. Na de overval waren de plantages niet meer in staat de benodigde rente en aflossing te betalen en werden beide plantages voor een gering bedrag geveild. Montpelliër kwam in handen van de familie Diederichsen, eigenaar van buurplantage ‘Mariëndaal’. ‘Montauban’ werd gekocht door Aubin Nepveu, de eigenaar van de plantage ‘Vrouwenvlijt’, meer stroomafwaarts aan dezelfde kreek. De bedoeling was dat deze zou functioneren als kostplantage voor ‘Vrouwenvlijt, maar dat bleek geen sukses, vanwege de zandritsen. Johannes Diederichsen was dus nu eigenaar van plantage ‘Montpelliër’ en van de plantage  ‘Mariëndaal’. In 1760 was hij getrouwd met Anna Maria Hass. Hij overleed in 1778 op zijn plantage ‘Mariëndaal’. Twee jaar later, in 1780, overleed ook zijn vrouw Maria Hass. In 1780 was plantage ‘Montpelliër’ een kleine plantage met maar 8 slaven. Er werd niet eens een marktprodukt verbouwd, mogelijk was er wat kost.


De erfgenaam van de plantages was Ernst Coenraad Runge een zoon uit het eerste huwelijk van Maria Hass, die drie maal getrouwd was geweest. Hij was ‘delibirerend’, wat wil zeggen dat de plantage met schuld belast was en de erfgenaam bezig was te onderzoeken of het de moeite waard was om de erfenis te accepteren.


J.F.Friderici


In 1793 staat de plantage ‘Montpelliër’ in de almanak onder de naam J.F. Friderici. De plantage produceerde cacao, koffie en katoen. Friderici beheerde het bezit zelf. Ook het naastliggende ‘Mariëndaal’ was zijn eigendom. Mogelijk waren beide plantages samengevoegd tot één bedrijf.

1821- verlaten (almanak 1821)


De plantage wordt niet genoemd in de almanak. Ook de plantage ‘Mariëndaal’ was verlaten.

1824 Rudolf George Calgren*


In 1824 verkreeg Rudolf George Calgren via Koninklijk besluit ‘Mon(t)pelliër’.  Hij huwde Augusta Christina Louise O’Ferral.  Zij was de dochter van Dominich John Conolly O’Ferrall, die in 1867 plantage ‘Mariëndaal’ kocht. Vanaf dat moment blijven ‘Mon(t)pelliër’ en ‘Mariëndaal’  lange tijd volledig in bezit van de families Calgren en O’Ferrall. Rudolf Calgren overlijdt in 1902 terwijl zijn vrouw Augusta O’Ferrall in 1915 sterft.

1843 – militair piket (almanak 1843)


In 1843 was op de verlaten plantage een militaire post gevestigd. De omliggende plantages, waaronder ‘Mariëndaal, waren opgekocht door eigenaren van plantage ‘Dijkveld’ aan de Surinamerivier. In de almanak worden geen direkteuren genoemd. De gronden waren dus verlaten.

1863 – afschaffing slavernij


De plantage was al lange tijd verlaten en wordt niet genoemd in de emancipatieregisters.

1918 eerste boedelscheiding*


Begin maart 1918 worden ‘Mon(t)pelliër’ en ‘Mariëndaal opgedeeld door de kinderen van Augusta O’Ferrall en Rudolf Calgren. Twee van de vijf kinderen zijn beide kort na elkaar overleden, n.m.l. op respectievelijk twee en op twintig augustus 1915. De drie overgebleven kinderen en de zus van Augusta O’Ferrall,  Henriëtte O’Ferrall verdelen de plantages. ‘Mariëndaal’ wordt gesplitst in een noord en een zuid gedeelte. Henriëtte O’Ferrall bezit nu ‘Mariëndaal-Noord’ terwijl ‘Mariëndaal-Zuid’ gaat naar Georgine Leocadie Antonie Calgren, dochter van Rudolf Calgren en gehuwd Sanstra. ‘Mon(t)pelliër’  gaat naar haar beide broers, Robert Gerardus Maria Calgren en Louis Henri Patrick Calgren. In het register van overschrijving wordt van ‘Mariëndaal’ gezegd dat er gebouwen staan en beplanting is. Van ‘Mon(t)pellier’ wordt verklaart: ‘het perceelland, met al hetgeen daarop staat en daartoe behoort en door bestemming of wetsduiding als onroerend goed wordt beschouwd’.


1990 tweede boedelscheiding


In 1990 wordt de voormalige plantage ‘Montpelliër’ opgedeeld in acht percelen. Twee daarvan worden vrijwel direkt verkocht, terwijl de rest in de familie Calgren blijft. In 1998 verwerft Andre Sanstra via overerving een gedeelte. Dit is het achterste gedeelte van ‘Montpelliër’. In 2002 echter verkoopt hij dit stuk. Pieter van der Grft en Peter van Huffel besluiten het te kopen en bouwen er.


Resort ‘Hotel-Restaurant de Plantage’


Bronnen:


Boeken: *Surinaams contrast,

 Alex van Stipriaan

*De landbouw in de kolonie Suriname, voorafgegaan door ene   geschied- en natuurkundige beschouwing dier kolonie,

M.D. Teenstra


Databases op internet:


 *Philip Dickland – oud archief der burgelijke stand in Suriname.

*Heinrich Helstone, Okko ten Hove e.a. – database   emancipatieregisters 1863


Notarieel archief van het NA, Den Haag


Archief Dienst der Domeinen, Paramaribo


Register van overschrijving No. 160  Onder nummer 115. *In dit register wordt steeds geschreven ‘Monpeliër’. Vandaar dat als er geciteerd wordt uit dit register in de naam ‘Montpelliër’ de ‘t’ tussen haakjes is geplaatst.

Welkom bij Hotel Restaurant de Plantage in Commwewijne